Zoönosen

Zoönosen zijn infectieziektes die van dier op mens kunnen overgaan. In Nederland voorkomende zoönosen zijn COVID-19, de ziekte van Lyme, Q-koorts, Runder TBC, toxoplasmose, salmonellose, rabies, miltvuur, varkenspest, Apenpokken en vogelgriep.

Ongeveer twee derde van de verwekkers van infectieziekten is afkomstig van dieren. Mensen kunnen er op verschillende manieren mee besmet raken via voedsel of water of lucht en via direct contact met besmette dieren of mest. Ook kunnen verwekkers van zoönosen via teken en muggen worden overgebracht. Het woord zoönose is afgeleid van de Griekse woorden zoön (dier) en nosos (ziekte). Veel levensbedreigend verlopende infectieziekten zijn zoönosen, daar deze bacteriën, protozoa, virussen of wormen vaak zijn aangepast om in hun specifieke gastheer te overleven zonder al te veel schade aan te richten, maar deze bij andere gastheren een heftige immuunreactie oproepen. Het verschijnsel waarbij menselijke aandoeningen worden overgedragen op dieren, wordt antroponose genoemd.

Er wordt onderzoek gedaan naar aandoeningen die door teken worden overgedragen, zoals de ziekte van Lyme, veroorzaakt door de Borrelia-bacterie. Maar er zijn verschillende Borrelia-soorten die verschillende symptomen bij mensen veroorzaken, variërend van koorts tot neurologische klachten. Door te onderzoeken of bepaalde Borrelia soorten specifiek bij bepaalde dieren voorkomen, kunnen gerichtere maatregelen worden genomen om ziekte te voorkomen.

Ander onderzoek betreft de risico’s van zoönosen die via wilde dieren op de mens worden overgedragen. Zo is aangetoond dat bij vossen een lintworm (Echinococcus multilocularis) voorkomt die een ernstige ziekte bij mensen kan veroorzaken.

In diverse onderzoeken naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van veehouderijen worden ook de risico’s van zoönosen via de leefomgeving meegenomen. Q-koorts, veroorzaakt door de Coxiella-bacterie, is een voorbeeld van een zoönose die door de lucht kan worden overgedragen.

Door zwemmen kunnen mensen de bekende zwemmersjeuk oplopen. Wanneer zij met de zoönotische Trichobilharzia in aanraking komen krijgen ze daar bulten van. Dit is een van de meest voorkomende klachten bij zwemwater in Nederland.

In de jaren 80 experimenteerde de toenmalige Sovjet-Unie met het geschikt maken van het marburgvirus voor biologische oorlogsvoering. Wetenschappers van Biopreparat ontdekten dat, in aerosolvorm, er slechts een paar virusdeeltjes nodig waren voor het infecteren van een slachtoffer. Ze onderzochten verder hoe dit virus met een intercontinentale raket van het type SS-18 ingezet kon worden tegen bevolkingscentra in NAVO-gebied. Nadat een van de wetenschappers, dr. Nikolai Ustinov, zichzelf per ongeluk geïnjecteerd had met Marburg, konden zijn collega’s uit zijn stoffelijk overschot een nog dodelijkere versie van het virus isoleren en cultiveren. Deze werd variant U genoemd naar dr. Ustinov. Volgens Alibek waren de Sovjets in 1991 zover dat ze Marburg-variant U in grote hoeveelheden konden produceren. Volgens de plannen zouden dan tien afzonderlijk richtbare, met Marburg U geladen koppen op de genoemde raketten geplaatst worden die daarna in het operationele arsenaal van de Sovjets zouden worden opgenomen. Sinds het vertrek van Ken Alibek is weinig tot niets meer bekend over de status van het huidige Russische onderzoek naar en/of ontwikkeling van biologische wapens.

Wie doen onderzoek naar zoönose ?

Partners die samenwerken op velerlei expertiseterreinen van zoönose in binnen- en buitenland zijn: het Wageningen Bioveterinary Research, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, de Gemeentelijke Gezondheidsdienst, de faculteit Diergeneeskunde bij de Universiteit Utrecht het Institute for Risk Assessment Sciences, Dutch Wildlife Health Centre, het European Centre for Disease Prevention and Control, de European Food Safety Authority,, de Wereldgezondheidsorganisatie en de World Organisation for Animal Health / Office International des Epizooties, RIVM, WHO, Collaborating Centre for Risk Assessment of Pathogens in Food and Water, European Union-referentielaboratorium voor Salmonella en nationaal referentielaboratorium voor diverse voedsel overdraagbare bacteriën en zoönotische parasieten.

Soorten Zoonosen

Apenpokken/Monkeypox/MPXV/hMPXV A.1.

Er zijn sinds april 2022 uitbraken van apenpokken in wel tien europese landen. De meeste besmettingen komen voor in het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Portugal. Inmiddels zijn er per 22 juli 2022 al 16.000 gevallen in 75 landen, waarvan de meeste in Europa. In Afrika zijn er zeker 5 mensen aan overleden. In Nederland is bij 1.136 mensen, waaronder ook een kind apenpokken vastgesteld. Een deel van de Nederlandse mannen is bij het Darklands fetishfestival in België geweest, dat eerder al werd aangemerkt als mogelijke brandhaard en vond plaats in Antwerpen van 4 tot 9 mei. Een patiënt was in Spanje geweest en bleek zowel Corona, HIV als apenpokken te hebben. De uitbraken zijn tot dusver zeldzaam en ongebruikelijk zei de belangrijkste medische adviseur van de UK Health Security Agency (UKHSA), in een verklaring op maandag 16 mei 2022. Waar en hoe de infecties elders zijn opgelopen wordt nog onderzocht. Het aantal besmettingen per week liep half augustus terug naar 49 gevallen. Het apenpokkenvirus kent voor zover bekend twee stammen: de Congo-stam is vrij besmettelijk en ziekmakend en leidt in ongeveer in 10 procent van de gevallen tot sterfte. Sinds de eerste gevallen op 7 mei werden vastgesteld in landen buiten Afrika werden al vrij snel in 19 landen circa 131 gevallen geregistreerd. Ook waren er nog eens 106 vermoedelijke gevallen. Daarnaast is er de West-Afrikaanse stam die wat minder besmettelijk en ziekmakend is en in ongeveer 1 procent van de gevallen dodelijk is. Op dit moment wordt aangenomen dat deze laatstgenoemde stam verantwoordelijk is voor de Britse infecties. Iemand die koorts, spierpijn, hoofdpijn, gezwollen klieren of vermoeidheid heeft en contact met een besmet iemand heeft gehad, wordt gezien als vermoedelijke patient.  Dna-virussen zoals Apenpokken zijn veel stabieler en meer aangepast aan gastheren, rna-virussen zoals Corona en griep zijn veranderlijk, ‘wilder’ en veroorzaken daardoor epidemieën. Daarom is het opmerkelijk dat apenpokken opeens beter door mensen overgedragen lijkt te worden. Apenpokken veroorzaken koorts, pijn in het lichaam, zorgt voor vergrote lymfeklieren en uit zich uiteindelijk in pokken, of pijnlijke, met vocht gevulde blaren op het gezicht, handen en voeten. Eén versie van Monkeypox is behoorlijk dodelijk en doodt tot 10% van de geïnfecteerde mensen. De versie die in het Verenigd Koninkrijk is aangetroffen, is milder. Hiervan is het sterftecijfer minder dan 1% en de aandoening gaat over het algemeen binnen twee tot vier weken over. Mensen krijgen apenpokken van dieren in West-Afrika of Centraal-Afrika en nemen het virus mee naar andere landen. Overdracht van persoon tot persoon is niet gebruikelijk, omdat het nauw contact met lichaamsvloeistoffen vereist, zoals sex, speeksel van hoesten of pus van de laesies. In het Verenigd Koninkrijk hebben 7 van de 8 gevallen echter geen betrekking op recente reizen naar Afrika, hebben die personen geen contact gehad met anderen waarvan bekend is dat deze naar Nigeria zijn gereisd. In de VS was de patiënt in Massachusetts niet recentelijk naar landen gereisd waar de ziekte voorkomt, maar heeft hij wel Canada bezocht. Het virus verspreid zich hoofdzakelijk via homoseksueel contact. In 2019 keurde de Amerikaanse Food and Drug Administration het eerste vaccin tegen apenpokken goed, dat ook beschermt tegen pokken. De naam Apenpokken is eigenlijk onjuist en zou in plaats daarvan eigenlijk “knaagdierenpokken” moeten worden genoemd. De naam “apenpokken” komt van de eerste gedocumenteerde gevallen van de ziekte, in 1958, toen er twee uitbraken plaatsvonden in apenkolonies die voor onderzoek werden gehouden. Maar apen zijn geen grote dragers. In plaats daarvan blijft het virus waarschijnlijk bestaan ​​​​in eekhoorns, ratten, slaapmuizen of andere knaagdieren. Besmetting gebeurd voornamelijk door een beet, krab of contact met de lichaamsvloeistof van het dier. Dan kan het virus zich verspreiden naar andere mensen door hoesten en niezen of contact met pus uit de laesies. De laesies van apenpokken zijn vergelijkbaar met die van een pokkeninfectie. Maar het verspreidt zich niet erg goed tussen mensen en de infectiegraad is veel lager dan die van pokken. In veel gevallen verspreiden mensen het virus niet naar iemand anders. In meerderheid betreft het mannen die seks met andere mannen hebben gehad. In 2003 liftte Monkeypox mee met een lading dieren van Ghana naar Illinois. Verschillende ratten en eekhoorns testten positief op het virus en verspreidden het uiteindelijk naar prairiehonden die als huisdier werden verkocht in meerdere staten in het Midwesten. Zevenenveertig mensen kregen de ziekte van de prairiehonden. Iedereen herstelde. En niemand verspreidde de ziekte naar een andere persoon. Het virus infecteert waarschijnlijk al eeuwen, zelfs millennia naar mensen. Monkeypox is nauw verwant aan pokken. Ze zijn klinisch niet te onderscheiden en eeuwenlang hebben artsen waarschijnlijk apenpokken aangezien voor gewone pokken. Er zijn verschillende andere virussen die verband houden met pokken, waaronder koepokken en kameelpokken. In 2010 bleek dat de apenpokken sinds de jaren tachtig 14 keer zo groot waren in de Democratische Republiek Congo. De incidentie steeg van minder dan 1 geval per 10.000 mensen tot ongeveer 14 gevallen per 10.000 mensen. Het normale pokkenvaccin werkt ook tegen apenpokken. Het is ongeveer 85% effectief (hoewel het pokkenvaccin enige veiligheidsrisico’s met zich meebrengt. Het is een levend virus en kan een dodelijke infectie veroorzaken bij mensen met een ernstig aangetast immuunsysteem. In de Democratische Republiek Congo zijn jaarlijks duizenden gevallen. Volgens een in februari gepubliceerde studie waren er in 2020 zelfs bijna 4.600 verdachte gevallen. Wetenschappers houden het virus en de uitbraken die zich voordoen nauwlettend in de gaten, vooral als het virus de overdrachtsroute lijkt te veranderen. De nieuwe uitbraken in Europa kan een teken zijn dat het virus is veranderd. Ziekte uit zich door pijnlijke blaasjes op de huid, al gaan die weg na uiterlijk 2-3 weken. De Europese Commissie heeft een contract gesloten met het Deense bedrijf Bavarian Nordic voor de aankoop van circa 110.000 vaccins tegen apenpokken. De vaccins worden zo snel mogelijk verdeeld onder de EU-lidstaten, Noorwegen en IJsland. Bavarian Nordic levert binnen afzienbare tijd 109.090 vaccins aan de Europese Commissie. Die zullen verdeeld worden onder alle lidstaten, Noorwegen en IJsland. Nederland heeft al in 2019 zelf een strategische voorraad van zo’n 100.000 apenpokkenvaccins aangelegd. Officieel is er inmiddels sprake van een Public Health Emergency of International Concern (PHEIC). Ondanks dat er geen consensus was over de toekenning van een internationale noodtoestand. (Negen van de commissieleden waren tegen, zes voor) besliste directeur-generaal Tedros van de WHO dat deze classificering moest worden toegekend. Het is de eerste keer dat de beslissing om een PHEIC uit te roepen op een dergelijke manier is genomen. Volgens Tedros is doorslaggevend dat de uitbraak zich mondiaal snel verspreidt in landen waar het virus nog niet eerder voorkwam, via nieuwe transmissieroutes “waarover we nog te weinig begrijpen”. In Europa is volgens Tedros sprake van een hoog risico voor de volksgezondheid, in de rest van de wereld is het risico gematigd. Tich heeft de Amerikaanse staat Californië de noodtoestand uitgeroepen. Het is na Illinois en de staat New York al de derde staat die dit doet. In de Verenigde Staten zijn er tot nu in totaal 5.810 besmettingen geteld. In Nederland zijn dat er 925. Per 100.000 inwoners heeft Amerika er 1,76. In New York is het aantal besmettingen het allerhoogst, ook hoger dan in Nederland.

Brucellose 

Sinds 1999 is Nederland en in 2003 België officieel vrij verklaard van brucellose. In België was de laatste uitbraak van brucellose in 2000. In juli 2010 is in Nederland een geval van brucellose geconstateerd. In de periode 2016-2019 kwam Brucellose nog wel voor in Nederland bij enkele honden, geïmporteerd uit het buitenland. Besmetting bij mensen was er niet. Er worden echter jaarlijks meerdere importgevallen geconstateerd. In Zuid-Europese landen en de nieuwe lidstaten van de Europese Unie vormt Brucellose nog steeds een belangrijk probleem.

Brucellose (bij mensen Maltakoorts) is een infectieziekte bij zoogdieren die wordt veroorzaakt door bacteriën uit het geslacht Brucella. In 1887 werd deze bacterie voor het eerst geïsoleerd door de Britse militair chirurg Sir David Bruce op Malta. *Brucella abortus veroorzaakt Brucellose bij runderen. Dit wordt ook wel abortus bang genoemd naar de eerste die de ziekte beschreef, Bernhard Bang. *Brucella melitensis en Brucella ovis veroorzaken het bij schapen en geiten *Brucella suis veroorzaakt brucellose bij varkens *Brucella canis veroorzaakt Brucellose bij honden De Brucella-bacterie wordt door besmette dieren uitgescheiden in melk, urine, ontlasting en vruchtwater. Via voer en drinkwater komt de bacterie in de maag en de darmen, waar het in het bloed wordt opgenomen. De bacterie nestelt zich in de uier en de baarmoeder. De ziekte heeft een incubatieperiode van tien dagen tot enkele maanden.

Drachtige dieren die besmet zijn met Brucellose kunnen een miskraam krijgen, of de jongen worden te vroeg of dood geboren. De placenta komt vaak niet los en er ontstaat een baarmoederontsteking. Ook kan het dier mastitis (uierontsteking) krijgen waardoor de melkgift vermindert. Mannelijke dieren kunnen ontstekingen krijgen aan de testikels en onvruchtbaar worden.

Naast de miskramen zijn er meestal weinig andere symptomen, waardoor Brucellose niet direct wordt opgemerkt en de bacterie zich ongestoord kan uitbreiden. Vooral bij een miskraam wordt een grote hoeveelheid bacteriën met de vrucht naar buiten gebracht.

Brucellose bij mensen wordt met name door Brucella melitensis veroorzaakt en wordt ook wel Maltakoorts, Middellandse-Zeekoorts of ziekte van Bang genoemd. De besmetting vindt plaats door contact met besmette dieren, het drinken van rauwe melk of ongepasteuriseerde zuivelproducten. Een besmetting van de ene mens op de andere mens wordt zeldzaam, maar is niet onmogelijk De naam Maltakoorts verwijst naar de Maltees Themistocles Zammit, die de manier van overdracht door melk ontdekte. Meestal uit brucellose bij mensen zich in griepachtige verschijnselen. Maar zwangere vrouwen kunnen ook een miskraam krijgen. Brucellose wordt bij de mens bestreden met antibiotica. Wanneer er tijdig begonnen wordt, zijn er goede vooruitzichten op volledige genezing. Er bestaat een vaccinatie tegen Brucellose, maar deze geeft maar een paar weken bescherming. Door middel van bloedonderzoek is te zien of er antistoffen tegen de bacterie zijn aangemaakt en het dier Brucellose heeft (gehad). Dit bloedonderzoek wordt uitgevoerd door de Gezondheidsdienst voor Dieren op de bloedmonsters die genomen zijn voor CAE- en CL-onderzoek. Alle positieve dieren worden afgevoerd. Na twee maanden wordt het bloedonderzoek herhaald op het besmette bedrijf. Dit onderzoek is onderdeel van de diergezondheidsmonitoring in Nederland. Iedere koe die een miskraam of een te vroeg of doodgeboren kalf heeft gekregen, wordt ook onderzocht op Brucellose. Daarnaast worden oudere runderen op twintig procent van de bedrijven onderzocht.

HPAI

HPAI is een besmettelijke dierziekte, die tot hoge sterftecijfers kan leiden bij vogels en kan worden overgedragen op mensen (een zogenoemde zoönose). Het isoleren van de gevonden besmettingshaard en het voorkomen van verdere verspreiding van de ziekte is daarom van het grootste belang. HPAI is op grond van artikel 5 van verordening (EU) nr. 2016/429 een ziekte waarvoor bestrijdingsmaatregelen moeten worden getroffen. Daarnaast is HPAI gecategoriseerd als een A-ziekte voor vogels in de zin van artikel 9, eerste lid, onderdeel a, van de diergezondheidsverordening. Dit betekent dat een lidstaat bij een uitbraak bestrijdingsmaatregelen moet treffen. Verordening (EU) nr. 2020/687 bevat daartoe de door de minister te nemen maatregelen. Één van die maatregelen is het instellen van een beperkingszone die bestaat uit een beschermings- en bewakingszone rond de besmette inrichting in Eefde. In deze gebieden gelden diverse maatregelen. De verboden zijn in beide zones gelijk; verordening 2020/687 voorziet voor de bewakingszone in verhoudingsgewijs meer ruimte voor de bevoegde autoriteit om uitzonderingen op de verboden te verlenen in vergelijking met de beschermingszone. Dit vereist maatwerk door middel van ontheffingverlening. De beschermingszone is een gebied met een straal van 3 km rond de besmette inrichting, zoals aan de hand van een plattegrond is aangeduid in bijlage 1. Een inzoombare, gedetailleerde kaart van die zone is beschikbaar op de website van RVO (https://www.rvo.nl/dierziektenviewer/). De bewakingszone betreft wegen en waterwegen die het gebied met een straal van 10km rond de besmette inrichting begrenzen. In een regeling zijn voornamelijk voorschriften opgenomen ten aanzien van handelingen met dieren en producten die afkomstig zijn van, worden vervoerd naar of aanwezig zijn in een inrichting. Op grond van deze regeling gelden er vervoersverboden voor gehouden vogels, gedomesticeerde zoogdieren, eieren, vlees en karkassen van gevogelte, sperma van andere dieren dan vogels, diervoeders en mest. In enkele gevallen is het toegestaan die dieren en producten toch te vervoeren. De toegestane uitzonderingen en de voorwaarden waaronder van deze uitzonderingsmogelijkheden gebruik kan worden gemaakt, zijn in de betreffende artikelen opgenomen. De toegang tot inrichtingen waar gevogelte aanwezig is of normaliter wordt gehouden is voor bezoekers verboden, met uitzondering van het woonhuis of een boerderijwinkel of –camping of andere agrarische nevenactiviteit (zogenoemde andere bedrijfsgedeelten), mits fysiek afgescheiden van de vogelverblijfplaatsen. Een deugdelijke fysieke afscheiding betekent de aanwezigheid van een muur of een met platen opgetrokken wand en dergelijke. Afscheiding door middel van een lint of vergelijkbaar materiaal voldoet niet. Bepaalde categorieën bezoekers (zoals politie of medische hulpverleners) hebben wel toegang tot de vogelverblijfplaatsen, voor zover dat noodzakelijk is in het kader van volksgezondheid, diergezondheid, dierenwelzijn of de gezondheid van aanwezige personen in de stal. Een dierenarts mag bijvoorbeeld wel de stal in als sprake is van ziek pluimvee, maar een adviseur van de veevoerindustrie heeft geen toegang tot de stal om te beoordelen of de kippen goed groeien. Het personeel van de bedrijven mag het bedrijf onder voorwaarden betreden. De exploitant van de inrichting moet bovendien een register bijhouden van degenen die zijn inrichting hebben bezocht. Exploitanten van inrichtingen dienen ervoor te zorgen dat hun vogels worden afgeschermd van de op de inrichting aanwezige andere dieren en wilde dieren. Aanvullend op de verplichting tot het afschermen geldt dat een exploitant van een inrichting met commercieel gehouden vogels, met uitzondering van vogels behorende tot fazanten, loopvogels of sierwatervogels, deze vogels ophokt in een gebouw. Een ophokplicht is strenger dan de Europese voorschriften, maar is vanwege de vaak hoge pluimveedichtheid en de grote hoeveelheid van het virus dat in de omgeving aanwezig is, noodzakelijk. Afschermen met netten of open hekwerk biedt onvoldoende bescherming voor commercieel gehouden vogels. De uitzondering voor exploitanten van fazanten, loopvogels zoals de familie van struisvogels, emoes en nandoes, en sierwatervogels wordt gemaakt vanwege welzijnsoverwegingen. Houders van deze vogels mogen op andere wijze aan de afschermplicht voldoen. Tot slot is het samenbrengen van vogels in de beschermings- en bewakingszone verboden. Hierbij moet gedacht worden aan tentoonstellingen, wedvluchten of andere evenementen waarbij vogels bijeen worden gebracht. Ingevolge artikel 10 van de diergezondheidsverordening en artikel 3.3a van het Besluit houders van dieren geldt een algemene zorgplicht voor iedere dierhouder om redelijkerwijs al het noodzakelijke te doen of na te laten om besmetting te voorkomen. Dat betreft dus zaken die in zijn macht liggen, zoals zorg dragen voor adequate hygiënemaatregelen, zoveel mogelijk sleepsporen gescheiden houden en in het algemeen het verkeer over zijn bedrijf zo min mogelijk langs de verblijven van het gevogelte leiden.

Direct contact met besmet pluimvee kan leiden tot ernstig verlopende infecties bij mensen. De vrees bestaat dat het virus zodanig verandert dat het zich makkelijk onder mensen kan verspreiden. Dat kan dan zelfs leiden tot een  pandemie. Een laagpathogeen aviair influenzavirus kan muteren tot een zeer besmettelijk en dodelijk hoogpathogeen virus. In Hong Kong overleed een man van 62 jaar aan de gevolgen van vogelgriep. Het is het tweede dodelijke geval door vogelgriep H7N9 in Hong Kong. Hong Kong heeft bevestigd dat er nu drie menselijke besmettingen zijn geweest in drie weken tijd. Er wordt gevreesd dat het virus zich verspreid naar Zuid-Korea, Japan en het vasteland van China. In China zelf zijn er tot dusverre zelfs al vier mensen overleden.

De laatste keer dat Nederland werd geraakt door de vogelgriep was in 2003. Bij 1.349 pluimveehouderijen werden toen kippen, kalkoenen en eenden geruimd. In totaal werden 30,7 miljoen landbouw- en hobbydieren gedood.

Op een pluimveeverwerkingsbedrijf in het zuiden van Rusland zijn in februari 2021 zeven medewerkers besmet met de vogelgriepvariant H5N8. Het is de eerste keer dat het hoogpathogene virus bij mensen is aangetroffen. Zij hadden milde klachten, aldus het Russische persbureau Interfax. Rusland heeft de wereldgezondheidsorganisatie WHO geïnformeerd over de besmettingen. In januari raakten in China ook al twee mensen in China besmet met de H5N6-variant, waarbij een driejarig meisje overleed. In China werd in 2013 voor het eerst een besmetting bij een mens ontdekt. Sinds 2003 heeft het virus 319 mensen geïnfecteerd, waarvan 192 mensen overleden.

Hondsdolheid

Rabiës of lyssa, beter bekend als hondsdolheid, is een virusinfectie van het centraal zenuwcentrum in de hersenen. Het rabiësvirus is het typesoort van het genus Lyssavirus. Wanneer het virus zich in een spier- of zenuwcel bevindt, begint het virus zich te vermenigvuldigen. Het virus wordt verspreid door speeksel van besmette zoogdieren als honden, katten, apen of vleermuizen of wasberen. Dit jaar kreeg alarmcentrale SOS International 136 meldingen binnen van mogelijke besmettingen, waarvan 73 keer in de vakantie maanden juli en augustus. In 106 gevallen was de definitieve diagnose hondsdolheid. Voor de zomermaanden is dat ongeveer een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. In 2013 waren er slechts 21 meldingen waarvan 5 in juli en augustus. In 16 van die gevallen was de definitieve diagnose toen ook echt hondsdolheid. Sindsdien neemt het aantal meldingen en diagnoses van rabiës elk jaar flink toe.

Wereldwijd sterven er 55.000 mensen per jaar aan een besmetting met het rabiësvirus. Tegen een rabiës infectie bestaan geen medicijnen. Ook bestaat er geen test om bij leven vast te stellen of een dier rabiës heeft. Het virus kan alleen worden vastgesteld door laboratoriumonderzoek van de hersenen. Daarvoor moet het dier worden gedood. De afgelopen 40 jaar zijn er in Nederland 5 dodelijke gevallen van rabiës geweest. Allen werden in het buitenland besmet. Met rabiës besmette dieren dragen het virus bij zich zonder er vaak zelf zichtbaar last van te hebben.

Miltvuur 

Miltvuurof antrax is een infectieziekte, die wordt veroorzaakt door de bacterie Bacillus anthracis en van de eerste ziekten waarvan werd aangetoond dat ze door een bacterie worden veroorzaakt. Miltvuurbacteriën hebben het vermogen tot sporenvorming: ze gaan over in een vorm zonder actief metabolisme en kunnen in deze rusttoestand decennialang overleven en weer actief worden als de omstandigheden zich daarvoor lenen (hoge temperaturen en hoge luchtvochtigheid).

De bacterie kan op verschillende manieren de mens besmetten en bij mensen die met vee of huiden omgaan treedt dan soms een zwarte pijnloze steenpuist-achtige ontsteking van de huid op (de pustula maligna). Deze geneest in de regel zonder ernstige gevolgen; als zij niet wordt behandeld kan de kans op overlijden echter oplopen tot 20%. Bij inademing van miltvuursporen echter kan een longontsteking gevolgd door sepsis optreden die snel dodelijk kan verlopen, vooral indien veel sporen zijn ingeademd; longmiltvuur (anthrax pulmonalis). Miltvuur ook via het maag-darmkanaal worden opgelopen; darmmiltvuur (anthrax intestinalis), dit betreft minder dan 1% van de antrax-gevallen. Bijvoorbeeld wanneer besmet vlees onvoldoende is verhit kan dit tot besmetting leiden.De gemiddelde incubatietijd bedraagt een halve dag tot vijf dagen. Symptomen die daarna optreden zijn sterk verschillend en variëren van steenpuistachtige huidinfectie, longontsteking en een vergrote en ontstoken milt. Bij mensen komen drie vormen van miltvuur voor: de longvorm, de huidvorm en de systemische vorm.

De huidvorm is de vorm van miltvuur die in 95% van de gevallen voorkomt en het is de minst ernstige vorm. Het ontstaat na besmetting via de huid. Er vormt zich een pijnloos maar jeukend bultje op de handen, in de nek of het gezicht. Na 2-3 dagen gaat dit over in een blaartje en daarna in een zweer die bedekt wordt met een zwarte korst. Daaromheen ontstaat vaak een flinke zwelling en een krans van blaasjes. Nadat de korst weg is, blijft een litteken altijd zichtbaar. Soms gaat de huidzweer gepaard met hoofdpijn en koorts. Behandeling met antibiotica zorgt er niet voor dat de zweren sneller genezen, maar voorkomt wel sterfte doordat de bacterie geremd wordt. Als er niet behandeld wordt, kan de ziekte in 10 tot 20 % van de gevallen tot de dood leiden.

De longvorm wordt ook wel ‘wolsorteerdersziekte’ genoemd. Deze vorm ontstaat doordat de sporen worden ingeademd. Eerst ontstaat een normale verkoudheid, maar na 2 tot 4 dagen treedt kortademigheid op. Dit gaat gepaard met hoge koorts en het opgeven van bloed. Zelfs bij behandeling met antibiotica overlijden de meeste patiënten binnen 24 uur.

Na het eten van met de miltvuurbacterie besmet voedsel kan de darmvorm ontstaan, die twee verschillende beelden heeft: de zogenaamde abdominale vorm (abdomen = buikholte) en de orofaryngeale vorm (orofaryngeaal = van mond en keel). In het eerste geval ontstaan misselijkheid en koorts, die overgaan in bloederige diarree en heftige buikpijnen. In het tweede geval ontstaat ook koorts, maar nu gaat het gepaard met moeilijk slikken, lymfklierzwelling in de nek en bloedvergiftiging, waaraan zo’n 50 % van de patiënten uiteindelijk (ongeacht behandeling) sterft.

In de eerste helft van de twintigste eeuw kwam miltvuur nog regelmatig in Nederland voor, maar sinds de invoering van de Destructiewet uit 1957 is het aantal gevallen drastisch afgenomen. Dat betekent niet dat de ziekte in Nederland niet meer voorkomt, maar wel dat miltvuur er uiterst zeldzaam is geworden. In totaal werden sinds 1976 (toen de ziekte aangifteplichtig werd) slechts zeven gevallen van miltvuur bij mensen gemeld, waarvan de laatste twee gevallen in 1994. Er is echter weleens een uitbraak opgetreden na graafwerkzaamheden langs de uiterwaarden van de IJssel waar in het verleden dieren met miltvuur waren begraven. Ook dienen bijvoorbeeld archeologen en landbewerkers alert te zijn op de ligging van de miltvuurbosjes of waar deze gelegen hebben, de “witte plekken”. In 2013 werden bij graafwerkzaamheden in Lent levensvatbare miltvuursporen gevonden op een plek waar vóór 1942 kadavers van aan miltvuur overleden vee waren begraven[4]. In andere delen van de wereld komt miltvuur nog wel veelvuldig voor.

Verenigde Staten In oktober en november 2001 werd in de Verenigde Staten een aantal brieven met miltvuursporen aan personen en instanties gestuurd, die bij het openmaken vrij kwamen. Dit leidde tot 22 besmettingen die vijf slachtoffers eisten. Een Amerikaanse onderzoeker die toegang had tot de gebruikte bacteriestam, Bruce Edwards Ivins, pleegde in 2008 zelfmoord kort voordat hij voor deze feiten aangeklaagd zou worden. Het bewijs tegen hem was echter waarschijnlijk niet hard genoeg voor een veroordeling, hoewel aannemelijk was dat de sporen uit zijn laboratorium kwamen. Uit het onderzoek kwam naar voren dat de sporen van een zeer virulente stam afkomstig waren (de Ames-stam), zeer geconcentreerd waren en zeer fijn verdeeld en daarnaast gecoat met middelen om de klontering tegen te gaan en de dispersie te bevorderen, aanwijzingen dat ze uit een geavanceerd biologisch wapenlaboratorium afkomstig waren.

Verenigd Koninkrijk In 1942 werden op het Schotse eiland Gruinard militaire proeven met miltvuur genomen om te testen of het als biologisch wapen gebruikt kon worden. Het miltvuur was zo effectief en doordringend dat het eiland 48 jaar lang in quarantaine moest worden gehouden. Tot de jaren ’80 was het een van ’s werelds dodelijkste plekken. Pas in 1986 besloot de overheid het eiland te ‘ontsmetten’. Hoewel het in 1990 veilig werd verklaard, blijft de ondergrond sporen bevatten van antrax. Zelfs een verblijf van een paar dagen heeft zware gevolgen voor de menselijke gezondheid. Daardoor zal het eiland nog enkele honderden jaren ongeschikt blijven voor menselijke vestigingen.

Sovjet-Unie Op het eiland Vozrozhdeniya in het Aralmeer bevindt zich een oud laboratorium dat gebruikt is voor het ontwikkelen van biowapens, waaronder pokken. Hoewel er waarschijnlijk geen monsters van het pokkenvirus meer zijn, was het eiland nog vervuild met andere ziekteverwekkers, met name miltvuur. Het is niet duidelijk hoeveel afval op het eiland is achtergebleven. Het is waarschijnlijk dat de eilandbodem nog steeds vervuild is.

Papegaaienziekte 

Papegaaienziekte is een infectieziekte door de bacterie Chlamydia psittaci, die kan leiden tot een longontsteking en griepachtige klachten zoals koorts, hoofdpijn en hoesten. Door het inademen van stofdeeltjes van opgedroogde mest en snot van besmette vogels en vervuilde vogelkooien kunnen mensen besmet raken. Bij het bladblazen of vegen gvan droge grond kun je besmette stofdeeltjes inademen die tussen de bladeren zitten. Een besmetting kan dan snel gaan. Ook bijvoorbeeld via duivenpoep, waarvan stof op een buitentafel ligt en je neemt dat af, dn kun je de besmette deeltjes ook inademen. Niet alleen door papegaaien, maar ook door parkieten, duiven en andere vogelsoorten kwordt de bacterie verspreid en kan deze overgebracht worden op mensen. De besmettimg moet behandeld worden met antibiotica om ernstige gevolgen te voorkomen. Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is er niet één gemeenschappelijke specifieke bron vastgesteld voor de uitbraak, maar bleken wel veel patiënten contact met wilde vogels en hun uitwerpselen te hebben gehad in de vier weken voor de eerste ziektedag. Wanneer je na een bezoek aan een vogelmarkt griepachtige verschijnselen krijgt die maar niet over gaan, is het belangrijk om dit duidelijk te melden bij de huisarts. Door een uitbraak van de papegaaienziekte tussen november 2019 en maart 2020 zijn zeker 66 Nederlanders besmet geraakt. Dat zijn er veel meer dan de gemiddeld tien tot twintig zieken per jaar in de vijf jaar daarvoor.

Q-koorts

Uit onderzoek van het Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg (Nivel) blijkt dat wanneer mensen binnen een straal van 2 kilometer van een geitenboerderij af wonen, zij gemiddeld een hogere kans hebben om een longontsteking te krijgen. Q-koorts is een sinds 1978 meldingsplichtige infectieziekte (zoönose) die kan worden overgedragen van dieren op mensen. Het woord zoönose is afgeleid van de Griekse woorden zoön (dier) en nosos (ziekte). Veel levensbedreigende infectieziekten zijn zoönosen, daar deze bacteriën, protozoa, virussen of wormen vaak zijn aangepast om in hun specifieke gastheer te overleven zonder al te veel schade aan te richten, maar deze bij andere gastheren een heftige immuunreactie oproepen. Besmetting van mens op mens is alleen mogelijk via bloedtransfusie of bij de bevalling van een vrouw met acute of chronische Q-koorts. In het algemeen wordt daarom gezegd dat Q-koorts niet van mens op mens overdraagbaar is. Bij 4.000 onderzochte bedrijven bleken een of meerdere dieren antistoffen tegen de bacterie te dragen.  Dit was het geval op 43% van de geitenhouderijen, 79% van de melkschapenbedrijven en 31% van de fokschapenbedrijven. Bedrijven die in Noord-Brabant of Limburg gevestigd zijn, lopen een groter risco en ook de bedrijfsgrootte speelt een rol. Q-koortspatiënten blijven jarenlang last houden van onder meer vermoeidheid en sommigen kunnen zelfs jaren na hun besmetting niet of maar beperkt naar hun werk of deelnemen aan de samenleving. Sinds 2007 zijn 50.000 tot 100.000 Nederlanders besmet geraakt.  Volgens het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu waren er 74 mensen aan de besmetting en de gevolgen er van overleden, maar het aantal mensen dat aan Q-koorts overleed, is met 20 personen naar boven bijgesteld. In totaal lieten namelijk maar liefst 95 slachtoffers het leven. In twee jaar tijd zijn er officieel ruim 20 doden bijgekomen, maar in werkelijkheid ligt het aantal slachtoffers waarschijnlijk nog hoger. De nieuwe cijfers komen uit een update van de Nationale Chronische Q-koorts Database.Melkveehouders, dierenartsen en studenten diergeneeskunde hebben een verhoogd risico om besmet te raken met de Q-koortsbacterie C. burnetii. De Provincie Utrecht heeft 10 juli 2018 een geitenstop afgekondigd vanwege gezondheidsrisico’s nadat uit meerdere onderzoeken van het RIVM is gebleken dat omwonenden van geitenhouderijen in een straal van twee kilometer meer kans hebben op een longontsteking. Geitenhouderijen van meer dan tien geiten mogen tot die tijd niet verder uitbreiden. Ook het omzetten van bestaande agrarische bedrijven naar geitenhouderijen met meer dan tien geiten, is niet meer mogelijk. De Provinciale Staten gaan tot die tijd geen omgevingsvergunningen afgeven voor vestiging, uitbreiding of omschakeling naar geitenhouderijen met meer dan tien geiten. Dit verbod werd opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Sinds 2018 wordt er gesproken over de komst van een geitenhouderij aan de rand van Enkhuizen met 2.000 geiten in een stal aan de Elsenburg. De provincie Noord-Holland heeft sinds december 2018 feitelijk ook een geitenstop, maar omdat de vergunningaanvraag voor die tijd is ingediend, moesten de burgemeester en wethouders er alsnog een gedwongen besluit over nemen.

In Bodegraven Reeuwijk Zuid-Holland zijn half november 2017 drie leden uit  een gezin besmet geraakt.  Peter de Groot (61), woonachtig aan de Blaaksedijk-Oost in Heinenoord, nabij de Mijnsheerenlandse geitenhouderij werd in september getroffen. De Q-koorts zorgde bij hem voor wekenlange koorts, vermoeidheid en hoesten. Onderzoekers konden geen oorzaak vinden en het onderzoek naar de herkomst is gestopt. Uit voorzorg heeft de eigenaar van het vleesschapenbedrijf, waar de Q-koortsbacterie is gevonden, de schapen vrijwillig laten vaccineren. GGD en huisartsen zijn extra alert op verschijnselen van Q-koorts. In een buitengebied, in een wijk tegen de Biesbosch aan woont de zeven jarige Emma van de Pluijm. In de omgeving zijn veel boeren met schapen, koeien en geiten. Alhoewel Q-koorts bij kinderen zelden voor komt werd Esmma toch besmet. Er zijn slechts dertien minderjarigen bij wie de diagnose Q-koorts officieel is vastgesteld. Aan de Q koorts hield Emma hetverwante Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) over te hebben gehouden waardoor ze vooral ’s avonds nog dagelijks spierpijn heeft en vaak moe is. De afgelopen tien jaar overleden er in ons land 74 mensen aan Q koorts.

Geitenhouderijen vergroten de kans op longaandoeningen. Toch wordt de mest uitgereden tot dichtbij woningen en sportvelden. Van de 1.650 ziektegevallen per 100.000 mensen zijn er ruim tweehonderd binnen een straal van een kilometer van dergelijke stallen. Dat is ruim zeven procent meer ziektegevallen. Nieuwe geitenbedrijven komen er in Gemert-Bakel er niet bij en bestaande mogen niet meer uitbreiden. De gemeente neemt in de herziening van het bestemmingsplan de regels van de provincie Noord-Brabant op, die zijn toegespitst op de geitenhouderij

In 2007 was er in Nederland een massale uitbraak van Q-koorts onder geiten rond het dorp Herpen in Noord brabant, waarbij ruim vierduizend mensen ziek werden en 74 van hen overleden. Volgens de officiële cijfers hebben tussen de 1200 en 2400 mensen QVS en zijn er minstens 700 à 800 mensen met chronische Q-koorts.  De Staat was naar het oordeel van de Rechtbank in Den Haag niet aansprakelijk voor de schade van Q-koorts-patiënten. 297 mensen spanden een civiele rechtszaak aan en verloren deze in de eerste instantie. Uiteindelijk besloot de Staat tot een schikking en maakte 15,5 miljoen euro vrij. 1 miljoen euro hiervan gaat op aan ‘uitvoeringskosten’ van de regeling en  14,5 miljoen euro wordt verdeeld onder de slachtoffers. Tot de mensen die geld kunnen krijgen horen: mensen met chronische Q-koorts, mensen met het Q-koortsvermoeidheidssyndroom (QVS) en mensen met ‘een op QVS gelijkend ziektebeeld’. De besmetting moet hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2007 en 31 december 2011 en de diagnose moet vóór 1 oktober 2018 gesteld zijn. Iedere patiënt kan aanspraak maken op maximaal 15.000 euro. In totaal heeft de minister 15,5 miljoen euro beschikbaar gesteld voor de patiënten. Ook nabestaanden van patiënten die inmiddels zijn overleden mits zij kunnen aantonen dat de overledene aan Q-koorts heeft geleden. Patiënten kunnen vanaf 1 oktober een aanvraag indienen. Aan de hand van de beoordeling wordt bepaald hoeveel geld er per individueel geval wordt uitgekeerd. De overheid neemt tot 31 januari 2019 de tijd om alle aanvragen te behandelen. De Tweede Kamer sprak zich in maart 2018 al uit voor een vergoeding voor patiënten. In 2008 waren er 1000 meldingen en in 2009 waren er 2.368 meldingen. Van de 4190 bekende Q-koorts meldingen bij het RIVM in de jaren 2007-2013 is 30% buiten Brabant. Ruim tweeduizend anderen die werden besmet en hebben nog steeds klachten als hartklep ontstekingen, ernstige vaatafwijkingen en/of chronische vermoeidheid. In totaal raakten tussen de 50.000 en 100.000 mensen in Nederland besmet met Q-koorts. Daarnaast wordt de Stichting Q-support nog drie jaar gefinancierd met in totaal 3,5 miljoen euro. Meer dan duizend mensen deden al een beroep op de stichting voor advies tot langdurige patiëntentrajecten (632). Wat opviel was de complexiteit van de vraagstukken en de veelheid aan problemen waar patiënten zich voor gesteld zagen. Die beperkten zich niet tot hun gezondheid, maar deden zich voor op vrijwel alle leefgebieden: van werk en inkomen tot psychosociale problemen en juridische vraagstukken.

Q-koorts is zeer besmettelijk en kan van met name kleine herkauwers zoals schapen en geiten via de adem worden overgedragen op mensen. Koeien, huisdieren, wild en vogels kunnen op grote schaal ongemerkt geïnfecteerd zijn en de bacterie uitscheiden in onder andere urine, feces, placentair weefsel en vruchtwater. Aangezien klachten en symptomen niet specifiek zijn, is het moeilijk om een diagnose te stellen zonder laboratoriumtest. De ‘Q’ verwijst naar ‘Query’, dat vraag of vraagteken betekent. Tot 1937 was de verwekker van de ziekte namelijk onbekend. Geïnfecteerde dieren vertonen meestal geen ziekteverschijnselen. Bij drachtige geiten en minder bij schapen kan laat in de dracht abortus optreden. Q-koorts wordt veroorzaakt door een pleomorfe coccobacil Coxiella burnetii met gramnegatieve celwand uit de orde Rickettsiales. Na overdracht vermenigvuldigt het micro-organisme zich in de longen en vervolgens vindt via het bloed verspreiding door het lichaam plaats. De daarop volgende systemische symptomen en klinische manifestaties zijn afhankelijk van de geïnhaleerde dosis en waarschijnlijk ook van de karakteristieken van de infecterende stam. De incubatieperiode varieert van 2 tot 48 dagen, met een gemiddelde periode van 14 tot 24 dagen. Een hogere dosis resulteert in een kortere incubatieperiode. De incubatietijd bij dieren is niet bekend.

Q-koorts besmettingen worden opgelopen door het inademen van lucht waar de bacterie in zit. Vooral een maand na de lammerperiode (februari tot en met mei), maar soms ook nog daarna kunnen besmettingen optreden. Het vruchtwater en de moederkoek van besmette dieren bevatten grote hoeveelheden van deze bacteriën, maar kan ook in (rauwe) melk, mest en urine zitten. De bacterie wordt inactief door pasteurisatie of koken.
De bacteriën nestelen zich niet in het vlees van de geit of het schaap. De bacterie kan maanden tot jaren in de omgeving overleven. Q koorts wordt niet van mens op mens overgedragen en komt vooral in het zuiden van Nederland regelmatig voor. In 2010 werden net zoals in 2008 en 2009 de meeste meldingen gedaan in de Brabant (176 meldingen) omdat daar veel geitenbedrijven zijn. In de periode 1 januari tot en met 31 december 2010 zijn in heel Nederland 505 ziektegevallen van Q-koorts gemeld. In 2010 gold voor een groot aantal geiten- en schapenbedrijven een vaccinatieplicht, waardoor het aantal ziektegevallen afnam. Meestal geneest acute Q-koorts spontaan na 1 à 2 weken. Er is maar zelden sprake van een dodelijke afloop. Zes maanden na de eerste verschijnselen is ongeveer de helft van de patiënten met klinische symptomen klachtenvrij. Veel patiënten beschrijven na de acute episode echter nog een periode van post-infectieuze vermoeidheid. Dit gaat in een groot deel van de gevallen binnen 6 maanden over en na een jaar is 76% klachtenvrij. Dit is een ander ziektebeeld dan bij een chronische Q-koortsinfectie die zich ontwikkelt bij 1-3% van de patiënten na een acute Qkoortsinfectie. Chronische Q-koorts kan zich ook ontwikkelen na een asymptomatische infectie.

Q-koorts komt vooral voor bij veehouders, dierenartsen, laboratoriummedewerkers die werken met geïnfecteerde dieren of weefselkweken, veehandelaren en medewerkers in dierentuinen,kinderboerderijen en dierenwinkels. Werknemers kunnen worden blootgesteld door contact met besmette materialen, zoals stof, grond, huid van dieren, wol, bont en ongepasteuriseerde melkproducten. Dit betreft bijvoorbeeld medewerkers in een abattoir, in de vleesverwerkende industrie en de wolbewerkingsindustrie. Verschillende uitbraken hebben uitgewezen dat verspreiding plaats kan vinden via kleding, hooi, stro, verontreinigde schoenen en bouwmaterialen. Het is niet uitgesloten is dat Q-koorts ook via besmet bloed kan worden overgedragen.

Sinds 2009 is verplichte vaccinatie ingevoerd voor geiten en schapen in getroffen gebieden in Nederland. In 2010 is deze verplichte vaccinatie uitgebreid over heel Nederland en naar bedrijven met een publieksfunctie. Tevens is een hygiëneprotocol ingevoerd voor alle melkgeiten- en melkschapenbedrijven met meer dan 50 dieren. Alle veehouders (dus ook hobbydierhouders, zorgboerderijen en bedrijven met minder dan 50 melkgeiten en -schapen) zijn verplicht afwijkende abortusaantallen te melden.

Totaal aantal meldingen per kalenderjaar Aantal sterfgevallen bekend bij het RIVM
2016 6 0
2015 22 1
2014 28 0
2013 19 0
2012 66 1
2011 81 5
2010 504 11
2009 2354 7
2008 1000 1
2007 168 0
Bovenstaande rapportage van overleden patiënten met chronische Q-koorts is samengesteld uit meldingen op vrijwillige basis door GGD’en. Het werkelijke aantal overledenen ligt vele hoger. Het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU), het Radboud umc, en het Jeroen Bosch ziekenhuis houden een eigen database bij. Deze ziekenhuizen hebben vastgesteld dat 74 patiënten zeker of waarschijnlijk aan Q-koorts zijn overleden.

Q koorts is niet altijd te herkennen en meer dan de helft van de besmette mensen krijgen geen klachten of hebben slechts een griepachtig ziektebeeld. Bij klinisch manifeste gevallen is er een acuut begin met heftige hoofdpijn en hoge, vaak remitterende koorts (temperatuur schommelend tussen 38.5 en 40.5ºC). Verder komen koude rillingen, spierpijn, anorexie, misselijkheid, braken, diarree en relatieve bradycardie regelmatig voor. In zeldzame gevallen komen in het acute stadium ook neurologische afwijkingen voor, zoals meningitis, meningo-encephalitis, verwardheid, extrapiramidale stoornissen, dementie en multiple hersenzenuwafwijkingen. Bij een ernstige besmetting begint de ziekte in korte tijd met heftige hoofdpijn, hoge koorts en een longontsteking met droge hoest en pijn op de borst en kan de bacterie een leverontsteking veroorzaken.

Mannen hebben vaker last van Q-koorts dan vrouwen en ook mensen die roken zijn een risicogroep. De ziekteverschijnselen openbaren zich gemiddeld 2 à 3 tot 6 weken na de besmetting en leiden soms tot een chronische infectie van de luchtwegen of een ontsteking aan het hart. Chronische Q-koorts komt vooral voor bij patiënten met een afweerstoornis en bij hartpatiënten. Bij zwangere vrouwen kan een eerder doorgemaakte Q-koortsinfectie tot chronische Q-koorts leiden. Mensen die zwanger of hartpatiënt zijn of die een afweerstoornis hebben moeten direct contact met melkgeiten en melkschapen vermijden, want er is alleen een vaccin voor dieren beschikbaar en niet voor mensen. De gevolgen van Q-koorts zijn wel te behandelen met antibiotica mits deze tijdig wordt gesignaleerd. Een algemene behandeling van patiënten met chronische Q-koorts ontbreekt. Het algemene beleid is dat een combinatie van twee middelen wordt aanbevolen, waaronder ten minste toediening van doxycycline.(18 maanden tot 4 jaar). Alternatieve behandeling is een combinatie van doxycycline en een chinolon-antibioticum of rifampicine of trimethoprim-sulfamethoxazol gedurende ten minste 2 jaar. Verder zijn ook succesvolle behandelingen met tetracycline, chloramphenicol en lincomycine bekend. Naast antibiotische behandeling kan chirurgie (hartklepoperatie, vaatreconstructie) noodzakelijk zijn.

Een eenmalige extra controle een jaar na acute Q-koorts is nodig om een eventuele chronische infectie op te sporen. (98%).  Wanneer een patiënt met acute Q-koorts al bekend is met risicofactoren voor een chronische infectie (hartklep- of vaataandoening), dan moeten in het eerste jaar al meerdere controles van de antistoffen plaats vinden.

Uit een promotieonderzoek van Jeroen van Leuken van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en het IRAS (Institute for Risk Assessment Science) van de Universiteit Utrecht blijkt dat met behulp van een meteorologisch rekenmodel tot op straatniveau in kaart kan worden gebracht welke mensen en bedrijven een risico lopen om besmet te raken met Q-koorts. Hierbij wordt gekeken naar de bron van de Q-koortsbesmetting (zoals een besmette boerderij) en hoe de bacterie zich verspreidt in de omgeving. Dit rekenmodel maakt het mogelijk om enkele dagen vooruit te voorspellen hoe de Q-koortsinfectie zich zal verspreiden, waardoor huisartsen en dierenartsen risicovolle gebieden nauwkeurig in de gaten kunnen houden en patiënten sneller kunnen onderkennen en behandelen.

In Uruguay was er in 1956 een uitbraak onder het personeel van een vleesfabriek waarvan 814 van de 1358 klinisch verdachte patiënten besmet bleken. Een andere grote uitbraak vond plaats in Zwitserland in 1987. Deze uitbraak werd duidelijk drie weken nadat ongeveer 900 schapen naar de vallei waren afgedaald. De epidemie bereikte alle plaatsen die langs deze route lagen. In totaal ontwikkelde 21,1% van de populatie in deze dorpen Q-koorts gedurende deze periode. In Duitsland raakten 229 mensen geïnfecteerd door een besmet schaap dat net gelammerd had op een veemarkt.

Er zijn tussen 1 en de 32 meldingen per jaar met een gemiddelde van 17 patiënten per jaar. De enorme toename heeft geleid tot steeds verder gaande veterinaire maatregelen om het risico op besmetting van de bacterie C. burnetii van geiten naar mensen te voorkomen. Veterinaire vaccinatie was tot 2010 beperkt beschikbaar. In december 2009 werd gestart met het op grote schaal ruimen van drachtige geiten op met Q-koorts besmette bedrijven.

De infectiebestrijding werd in 2011 aangepast maar het gevaar is nog niet geweken. De Brabantse oud GGD-arts Jos van de Sande leverde een grote bijdrage aan de bestrijding van de Q-koorts en richtte samen met de Provinciale Raad Volksgezondheid het kenniscentrum zoönosen op.
Nadat in 2007 en 2008 in vooral Oost-Brabant verschillende uitbraken werden vastgesteld en honderden mensen zich met vage griep- en vermoeidheidsklachten zich bij hun huisarts meldden is er begin maart 2009 plotseling ook een besmetting op een geitenhouderij in Ransdaal. Ron Grooten, notabene een LLTB sub-vakgroepvoorzitter die zelf geiten hield op zijn melkgeitenbedrijf annex zorgboerderij Nuje Caris aan de Karstraat in Ransdaal liet verstandelijk en lichamelijk gehandicapten via de stichting Radar doorwerken terwijl zijn boerderij met ruim duizend geiten op stal besmet was. Grooten verzweeg drie weken lang de uitbraak van Q-koorts. Ook de GGD werd door hem niet geinformeerd. Medewerkers moesten van hem de besmetting verzwijgen ondanks de gevaren die het opleverde voor henzelf en de bezoekers, waaronder een schoolklas van de Catharinaschool in Heerlen met gehandicapte leerlingen op 18 maart. De begeleiders werden ziek en 4 van de 24 leerlingen en een aantal begeleiders werden tijdens het bezoek besmet met de Q-koorts. 90 procent van de medewerkers van de zorgboerderij werd besmet en 40 procent van hen kreeg daadwerkelijk klachten. Toen op 24 maart de boerderij uiteindelijk toch officieel besmet werd verklaard en geruimd werd, liet zorginstelling Radar medewerkers doorwerken, waarna er opnieuw verschillende medewerkers en bezoekers ziek werden. Een zwangere medewerker die besmet raakte kreeg een miskraam en een scholier werd zo aangetast dat hij nieuwe hartkleppen kreeg, die vervolgens ook werden aangetast door de Q-koortsbacterie. 26 oktober 2013 moesten zijn ouders na steeds aanhoudende eplieptieaanvallen moeten besluiten tot euthanasie.

Na de geconstateerde besmetting melden honderden omwonenden en mensen die in het gebied hebben gefietst of gewandeld zich week na week met klachten bij hun huisarts en de GGD. De GGD hield op haar beurt ook de precieze locatie van de besmettingshaard nog eens bijna twee maanden geheim. Wanneer een journalist van de Limburger in mei 2009 aan Christian Hoebe van de GGD vraagt om welke boerderij het gaat, weigert deze dat te zeggen. Dat werd zo bepaald door het ministeries van Landbouw en Volksgezondheid die moest kiezen tussen economische belangen van de boeren of de gezondheid van burgers.
Na de ruiming eind 2009 verhuisde Ron Grooten naar Klimmen en begon aan de Putweg opnieuw een zorgboerderij met dagbesteding.

Uit onderzoek blijkt dat het aantal volwassen melkgeiten ondanks de stop met vijftig procent is gestegen tot meer dan 110.000. Het aantal melkgeiten is in Nederland is in 2020 opnieuw met 4% toegenomen. Het zijn er dit jaar 476.000. In de afgelopen twee decennia steeg het aantal melkgeiten vrijwel onafgebroken. Alleen in 2010 was er een daling van 10 procent van het aantal melkgeiten. Dat kwam door de ruimingen in verband met Q-koorts. In de andere jaren steeg het aantal melkgeiten wel.

Bedrijven in de melkgeitensector worden gemiddeld ook steeds groter. In 2000 had de gemiddelde melkgeitenhouderij nog 117 geiten, inmiddels zijn dat er 837. Er zijn in totaal 569 bedrijven met melkgeiten. De meeste melkgeiten worden gehouden in Noord-Brabant en Gelderland, waar 40 procent van de bedrijven met melkgeiten is gevestigd en ruim de helft van het aantal melkgeiten in ons land wordt gehouden. Ede is de melkgeitenhoofdstad van Nederland, daar zijn er maar liefst 16.500 te vinden.

Rabiës

Woensdag 28 september 2021 was het de Internationale Dag tegen Hondsdolheid. Dit jaar vond deze internationale dag plaats onder het thema “Sensibiliseer. Vaccineer. Elimineer.” Wereldwijd komt hondsdolheid in zo’n 150 landen voor. Nederlandse alarmcentrales krijgen vrijwel dagelijks meldingen van infecties binnen.

Gemiddeld komen er jaarlijks 80.000 honden vanuit het buitenland onze grens over, via illegale hondenhandel of als meegenomen zwerfdier. Deze dieren komen veelal uit gebieden waar hondsdolheid voorkomt. De illegale puppyhandel vergroot het risico voor mensen in Nederland om hondsdolheid te krijgen. De puppy’s uit met name Oost-Europa, (Polen Oekraïne) worden vaak niet of te vroeg ingeënt. Jaarlijks worden zo’n 50.000 puppy’s en honden illegaal Nederland binnengesmokkeld. Officieel moeten jonge honden, katten en fretten vanaf 29 december 2014 bij binnenkomst in Nederland verplicht gevaccineerd zijn

Rabiës of lyssa, beter bekend als hondsdolheid, is een virusinfectie van het centraal zenuwcentrum in de hersenen. Het rabiësvirus is het typesoort van het genus Lyssavirus. Wanneer het virus zich in een spier- of zenuwcel bevindt, begint het virus zich te vermenigvuldigen. Het virus wordt verspreid door speeksel van besmette zoogdieren als honden, katten, apen of vleermuizen of wasberen. Dit jaar kreeg alarmcentrale SOS International 136 meldingen binnen van mogelijke besmettingen, waarvan 73 keer in de vakantie maanden juli en augustus. In 106 gevallen was de definitieve diagnose hondsdolheid. Voor de zomermaanden is dat ongeveer een verdubbeling ten opzichte van vorig jaar. In 2013 waren er slechts 21 meldingen waarvan 5 in juli en augustus. In 16 van die gevallen was de definitieve diagnose toen ook echt hondsdolheid. Sindsdien neemt het aantal meldingen en diagnoses van rabiës elk jaar flink toe.

Wereldwijd sterven er 55.000 mensen per jaar aan een besmetting met het rabiësvirus. Tegen een rabiës infectie bestaan geen medicijnen. Ook bestaat er geen test om bij leven vast te stellen of een dier rabiës heeft. Het virus kan alleen worden vastgesteld door laboratoriumonderzoek van de hersenen. Daarvoor moet het dier worden gedood. De afgelopen 40 jaar zijn er in Nederland 5 dodelijke gevallen van rabiës geweest. Allen werden in het buitenland besmet. Met rabiës besmette dieren dragen het virus bij zich zonder er vaak zelf zichtbaar last van te hebben.

Het virus wordt overgebracht door een beet, krab of lik van een besmet dier. Via wondjes in de huid of de slijmvliezen (ogen, mond) dringt het virus het lichaam binnen. Er is na de besmetting een incubatietijd waarvan de lengte afhangt van de plaats waar men gebeten wordt: hoe verder van de hersenen, hoe langer de incubatietijd. Beten in het gezicht hebben de kortste incubatietijd.Eenmaal in het zenuwstelsel zal het virus hondsdolheid veroorzaken en is geen genezing meer mogelijk. Afhankelijk van hoe dicht bij de hersenen de beet of wond zich bevindt, kan het weken tot vele maanden duren voordat de verschijnselen zich openbaren.

Hondsdolheid komt vooral voor in Afrika, Azië en Zuid-Amerika. In de VS wordt de ziekte ook wel overgebracht door beten van wasberen.  In Nederland is in 2007 en 2013 één geval van menselijke hondsdolheid geregistreerd. Circa 10 miljoen mensen worden per jaar wereldwijd na een beet profylactisch behandeld. In Nederland wordt een minder besmettelijke variant van het rabiësvirus regelmatig gedetecteerd in vleermuizen, hoewel dit nooit tot besmetting bij mensen heeft geleid. In Nederland zijn tussen 1988 en 2010 twee gevallen van fatale rabiës bekend bij mensen die daarvoor in Afrika waren gebeten door respectievelijk een hond en een vleermuis. Op 26 juni 2013 werd bekend dat een 52-jarige man rabiës had opgelopen na een beet in zijn arm in mei in Haïti. De laatste gevallen van rabiësoverdracht door dieren op mensen in Nederland dateren van 1962. De laatste rabiësuitbraak onder dieren dateert uit 1988. Sindsdien heeft er in Nederland geen overdracht van het klassieke rabiësvirus onder dieren meer plaatsgevonden. House of Animals heeft acht maanden lang onderzoek gedaan naar een malafide hondenhandelaar in het Brabantse Diessen. “Ook daar zagen wij dat een deel van de puppy’s geen antistoffen in het lichaam hadden. Ze zijn waarschijnlijk veel te jong naar Nederland gehaald. Rabiës wordt veroorzaakt door een infectie met het rabiësvirus via speeksel door een beet, krab of lik van een geïnfecteerde hond, vleermuis, vos of kat. Infectie is in veel gevallen dodelijk. Menselijke slachtoffers zijn in theorie besmettelijk maar besmetting van artsen of verplegend personeel komt eigenlijk in de praktijk niet voor. Ook kan men in theorie door een beet of een kus besmet raken. Het ziekteverloop bestaat uit verschillende stadia. In de beginfase treden rillingen, koorts, zere keel, malaise, gebrek aan eetlust, misselijkheid, braken en hoofdpijn op. De plaats van de wond kan jeuken en pijnlijk zijn. Symptomen zijn dan prikkelbaarheid, verhoogde spierspanning en overgevoeligheid voor fel licht en harde geluiden. Het zien van water en pogingen te drinken kan krampen uitlokken van de slikspieren en de ademhalingsspieren die zo onaangenaam zijn dat de patiënt angst krijgt voor water. Soms overlijdt de patiënt al tijdens zo’n krampaanval. Door het verlammen van de kaakspieren zal het slachtoffer gaan kwijlen. In de tweede (neurologische) fase doen zich hyperactiviteit, nekstijfheid, stuiptrekkingen en verlamming voor .In deze fase veroorzaken spiegelende voorwerpen, zoals glas en water heftige krampen. Uiteindelijk raakt de patiënt in coma en overlijdt. De tijd tussen besmetting en eerste ziekteverschijnselen is afhankelijk van een aantal factoren zoals de plek van de beet of kras en de hoeveelheid virus dat het lichaam binnenkomt. Na een beet kan een preventieve behandeling voorkomen dat het virus in het zenuwstelsel terecht komt. De eerste verschijnselen treden meestal 20 tot 60 dagen na besmetting op. Vaccinatie wordt voornamelijk gegeven aan risicogroepen. Direct behandelen van de wond is essentieel. De wond moet worden schoongemaakt met water en zeep en ontsmet worden met betadine of alcohol en liefst binnen 24 uur moet er antiserum worden toegediend in een serie van vijf vaccinaties om de twee dagen. Bovendien moet u antibiotica en mogelijk een tetanusvaccinatie krijgen. Eenmaal vooraf gevaccineerd is er geen antiserum en zijn er minder vaccinaties. Elk jaar krijgen 15 miljoen mensen een rabiës vaccinatie na een beet. In december 2015 ontwikkelde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) en de Wereldorganisatie voor Diergezondheid (OIE) in samenwerking met de Voedsel – en Landbouworganisatie (FAO) en de Global Alliance for Rabies Control een globaal actieplan uit om hondsdolheid tegen 2030 de wereld uit te helpen. In Zuid-Afrika, Tanzania en de Filippijnen, waar testprojecten van de WHO en de Bill and Melinda Gates Foundation plaats vonden toonden projecten aan dat een combinatie van honden vaccinatie, verbeterde toegang tot menselijk vaccins en sensibilisering een sterke daling in het aantal rabiësgevallen teweeg brengt. Vele landen in Latijns-Amerika zijn de laatste jaren rabiësvrij verklaard. Ook in Zuidoost Azië doet de WHO inspanningen om een einde te maken aan hondsdolheid. In de drie jaar sinds de lancering van een rabiësprogramma in Bangladesh, daalde het aantal besmettingen met maar liefst 50%. 

Runder TBC

In het Belgische Meeuwen-Gruitrode werd begin november 2015 voor het laatst runder tbc geconstateerd. In de Belgische provincie Limburg werd 11 september op een bedrijf in Neerpelt ook al een besmetting met rundertuberculose vastgesteld. Het bedrijf stond in contact met het bedrijf waar de tbc op 30 juli werd vastgesteld.

Opnieuw moest er epidemiologisch onderzoek en een staltuberculinatie plaats vinden. Dit betekent dat runderen van de omliggende bedrijven de stallen niet mochten verlaten, tenzij met een vrijgeleide van de Provinciale Controle-eenheid. In België zijn sinds 30 juli 2015 167 boerderijen in quarantaine vanwege een uitbraak van rundertuberculose waarbij 63 runderen besmet bleken.

Alle boerderijen zijn in contact geweest met het besmette melkveebedrijf in Meeuwen, in de Belgische provincie Limburg waar alle dieren inclusief de honden moesten worden geruimd. Het besmette bedrijf ligt 20 km van de Nederlandse grens bij Weert.

De boerderijen liggen behalve in de provincie Limburg ook in Antwerpen en Luik. Nederlandse bedrijven zijn volgens de Limburgse Land- en Tuinbouwbond (LTTB) en de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) nog niet besmet. België was al tien jaar redelijk tuberculosevrij.

Rundertuberculose (runder-tbc) wordt meestal pas in een laat stadium opgemerkt. De meeste besmettingen verlopen zelfs zonder zichtbare klinische symptomen.

De ziekte uit zich door hoesten, vermagering en verminderde melkproductie. Het aantal besmettingen binnen een kudde hangt af van de aanwezigheid van open tbc. Naast runderen kunnen ook andere zoogdiersoorten zoals varkens, honden, paarden en wilde dieren (vooral dassen) besmet worden.

De rundertuberculose wordt veroorzaakt door de bacterie Mycobacterium bovis die via de luchtwegen of via de bek wordt opgenomen. De bacterie is verwant aan de Mycobacterium tuberculosis, die verantwoordelijk is voor tuberculose bij mensen. Van de ongeveer 2000 gevallen per jaar van tbc bij mensen, wordt slechts een heel klein percentage veroorzaakt door Mycobacterium bovis. Het overgrote deel van de mensen die tuberculose krijgen wordt ziek van de Mycobacterium tuberculosis.

Wanneer de bacterie in de lymfeklier belandt dan kunnen door het ontstekingsproces (tuberkel), uitzaaiingen ontstaan naar een of meerdere andere organen voor al naar de longen, waar  een tuberkel, knobbel wordt gevormd. Van daaruit zijn uitzaaiingen naar meer organen mogelijk. De verschijnselen die optreden, verschillen al naar gelang de organen die zijn aangetast. Bij runderen zijn dat vooral de longen en de uier. Als een open verbinding ontstaat van zo’n tuberkel met de buitenwereld is er sprake van open tuberculose. Andere vormen zijn pareltuberculose (aantasting borstvlies en/of buikvlies), uiertuberculose en niertuberculose.

In de eerste fase van de infectie blijft de bacterie nog binnen het rund (gesloten tbc) maar in de tweede fase breekt de tuberkel open en wordt de bacterie verspreidt via hoesten, via urine of melk en is het open tbc. Rundertuberculose is vooral bij open tbc besmettelijk.

Nederland heeft in 1999 de officiële tbc-vrije status gekregen die wordt gecontroleerd door runderen bij het slachten te testen. Tuberculinatie is een snelle test die een goede indicatie geeft, maar voor een definitieve diagnose is het noodzakelijk sectie te doen met aansluitend bacteriologisch onderzoek. Ook wordt koemelk gepasteuriseerd om risico’s van besmetting via melk uit te sluiten. De tbc-vrije status komt officieel in gevaar indien per jaar meer dan 0.1% van een bedrijf een besmetting heeft. Rundertuberculose is besmettelijk voor mensen door bijvoorbeeld het drinken van rauwe melk. In Nederland komt de ziekte sinds de jaren 50 en 60 niet meer voor.

2 juli 2008 werd kortstondig ook in Nederland rundertuberculose geconstateerd. De besmetting kwam van een bedrijf in Engeland die runderen exporteerde naar zes verschillende Nederlandse bedrijven. 21 bedrijven die contact hadden met de besmette kalveren werden in quarantaine gezet. Op de zes bedrijven werden in totaal 32 dieren positief getest en 60 werden verdacht. De bedrijven werden succesvol geruimd. Eind 2012 werden in een Nederlands slachthuis ook twee gevallen van rundertuberculose vastgesteld. De bewuste runderen waren afkomstig uit België uit een bedrijf in de provincie Luik. Dat bedrijf werd meteen na de ontdekking geruimd. In april 2013 werd in het Verenigd Koninkrijk een kwart meer koeien geslacht als gevolg van runder tbc. Het ging om ruim 3.000 runderen. Ondanks het nieuwe vaccinatieprogramma in Wales had de ziekte zich verder verspreid. Tussen 2008 en 2012 lag het aantal gedwongen slachtingen door de ziekte op 186.664. In 2013 werden 32.620 dieren verplicht geslacht vanwege tbc, in 2012 was dat nog 37.734. Frankrijk In november 2014 was er een uitbraak in het Franse departement de Loire waar 275 vleeskoeien moesten worden geruimd. De tbc kwam aan het licht in slachthuis war bleek dat de bron een kudde Charolais runderen was uit de plaats Saint-Galmier. Dertig bedrijven met duizenden runderen moesten worden onderzocht. De gedupeerde veehouder kreeg een schadevergoeding van 100.000 euro

De Europese Unie trekt dit jaar 62 miljoen euro uit voor de bestrijding van runder tbc. Behalve runder tbc heeft anno 2019 maar liefst 90 procent van de sector ook last van ander ziekmakende bacteriën. 80 procent van de rundveehouderijen hebben dieren die besmet zijn met de darmbacterie campylobacter bacterie. maar ook de STEC (25%)en de ESBL bacterie (15%)komt voor en bij 4% van de bedrijven is er salmonella gevonden. Ook de veehouders zelf blijken soms besmet, bij 2% van hen kwam campylobacter voor en zelfs de STEC bacterie werd aangetroffen.

Vogelgriep

Op een pluimveebedrijf in het zuiden van Rusland zijn zeven medewerkers besmet met de vogelgriep (H5N8). Het is de eerste keer dat het hoogpathogene virus bij mensen is aangetroffen. Er is tot nu toe geen bewijs gevonden van overdracht van mens op mens.

Varkenspest

Bij een grote varkenshouderij met bijna 20.000 varkens in Roemenië en een bedrijf met ruim 14.000 varkens in Rusland is Afrikaanse varkenspest vastgesteld. Daarnaast zijn er nog commerciële bedrijven met 2.200 en 395 varkens in het oosten van het land besmet geraakt met Afrikaanse varkenspest. De internationale organisatie voor diergezondheid OIE meldt verder nog 36 uitbraken bij wilde zwijnen en 28 op backyardbedrijven in Roemenië. In Polen zijn in januari 266 uitbraken van Afrikaanse varkenspest bij wilde zwijnen gemeld, waarvan een groot deel in het westelijke besmette gebied tegen de Duitse grens. In Duitsland is het totale aantal besmette wilde zwijnen opgelopen naar 604. Daarvan zijn er 19 in de Duitse deelstaat Saksen gevonden en 585 in de drie kerngebieden in de Duitse deelstaat Brandenburg.

De Mexicaanse griep kostte tien jaar geleden zo’n 200.000 mensen het leven en is vermoedelijk ontstaan bij het intensief houden van varkens

Geef een antwoord

Copy Protected by Chetan's WP-Copyprotect.